
|
 20
oktober 2005
De
natuur in het werk van Misha de Ridder
WEELDERIGE
REALITEIT
Door
MARIA BARNAS
Misha
de Ridder fotografeert de natuur. Niet als iets moois, maar als
iets waarvan de kijker deel uitmaakt. Zoals de natuur zich
manifesteert in zijn foto’s, zo toont zij zich zelden.
In
Argentinië heb je als zevende zoon in een familie grote kans
om weerwolf te worden. Begin 20ste eeuw was deze fabel nog zo
wijdverbreid dat zevende zonen meestal verdwenen, ter adoptie
werden weggegeven of op een akelige manier werden vermoord. Om dat
te voorkomen werd in 1920 een wet van kracht die bepaalde dat elke
zevende zoon van een familie onder toezicht viel van de president.
De zevende zoon kreeg een gouden medaille op de dag dat hij
gedoopt werd en een studiebeurs tot aan zijn 21ste. De wet is nog
steeds van kracht, en tijdens verkiezingen komt het nog voor dat
een president het doopfeest van een zevende zoon bezoekt. De
weerwolf komt niet alleen in Argentinië voor; hij kent
allerlei variaties. Hij is vaak gesignaleerd in de bossen van
Noord-Europa, in India vrezen mensen de weertijger, en in China en
Japan kun je de weervos tegenkomen. Dit universele monster is een
voorbeeld van beelden die wereldwijd in een oud en diep geheugen
van de mens zijn opgeslagen. Ook culturen die elkaar in het
verleden onmogelijk ontmoet kunnen hebben, delen de mythe van de
weerwolf. Individuen blijken met vergelijkbare beelden rond te
lopen in hun gedachten. Dit
verschijnsel van een universeel, collectief geheugen met
archetypen als bouwstenen is een belangrijk onderdeel in het werk
van Misha de Ridder. Het verhoudt zich tot een collectieve
verbeelding van de natuur, die bestaat uit angst voor de natuur,
maar ook uit het verlangen er opnieuw naar te kijken en er
wezenlijk contact mee te maken. De
Ridder benadert de natuur op een onconventionele manier. Zelf zegt
hij: ‘Ik heb het niet over natuur als iets moois; mijn werk gaat
eerder over in die natuur zijn; deel uitmaken van de natuur. Dat
is terug te zien in het standpunt dat ik kies dat afwijkt van wat
je gewend bent; bijvoorbeeld dat je als een dier laag door de
struiken kruipt of dat er in een graanveld waar je alleen naar
beneden kijkt een horizon ontbreekt.’ De
kunstenaar toont een weelderige boom zoals je zou willen dat een
weelderige boom eruit zou zien, zoals in het werk Los Feliz. De
kleuren druipen van de takken, die schuin van onder lijken te zijn
gefotografeerd. Alsof De Ridder zijn naam hoorde roepen, achterom
keek en in de vluchtigheid deze uitsnede van een paradijs aantrof. En
toch is er iets dat je als toeschouwer buitensluit. Het zijn
misschien de details, het is misschien de scherpte van wat je
ziet, die elke verbeelding te boven gaat. Deze afbeeldingen van de
natuur zijn in hun scherpte en drang om een werkelijkheid te
verbeelden op het groteske af.
Sinds
landschappen en natuurtaferelen worden afgebeeld op schilderijen,
foto’s en film, bestaat de ervaring voor de toeschouwer dat hij
zich niet alleen ter plekke, maar ook in de wereld van een
kunstenaar bevindt – luchten van Van Ruysdael, stranden met
meisjes van Rineke Dijkstra. De manier waarop De Ridder de natuur
in beeld brengt, heeft een dergelijke kracht een directe beleving
te overstemmen. Sinds
ik zijn boek Wilderness heb gezien, zie ik bomen van De Ridder in
de duinen van Schoorl, ik zie De Ridder wanneer ik 's nachts langs
de snelweg een glimp van een struik opvang. Maar er is meer aan de
hand. De beelden van De Ridder eisen een ruimte op tussen de
associatie en de realiteit. Ze willen appelleren aan je
associaties met schilderijen en foto’s maar confronteren je
ondertussen met de werkelijkheid. Het
is geen toeval dat De Ridder het liefst fotografeert in het verre
Westen – het achterland van Hollywood en het gebied van
pioniers. Hij gaat er met zijn camera en een vermoeden van een
beeld naartoe. De
Ridder: ‘Ik gebruik het landschap als canvas, en dit gebied is
uitermate geschikt omdat allerlei vormen van landschap zoals
canyons, alpine gebieden, woestijnen, oerbossen en kust er op een
betrekkelijk klein oppervlak te vinden zijn. De canyons van
Zuid-west-Utah zijn in dit opzicht misschien wel het meest
extreem. Het is mogelijk om in de loop van de dag van klimaat te
wisselen alsof je andere kleuren op je palet zet; op de
canyonvloer kan het volop zomer zijn terwijl hoog boven je hoofd
de lente nog niet eens is begonnen.’ Hij
gaat te werk als set-dresser, met de natuur als opslagplaats. Deze
doelbewuste houding is interessant in relatie tot het romantische
gehalte van zijn beeldtaal. De romantische kunstenaar laat zich
meeslepen door de oerkracht van de natuur. De Ridder heeft
daarentegen voordat hij aan de slag gaat al een beeld in zijn
hoofd, wellicht gevoed door de romantische kunst en Amerikaanse
filmproducties; hij zoekt met opperste beheersing net zolang tot
hij de afbeelding ervan aantreft in de vorm van de werkelijkheid. Deze
beelden zouden aangenaam zijn als ze niet zouden concurreren met
de natuur zelf. Ze bieden een wereld die je bekend voorkomt, maar
die tegelijk te wild, te exotisch, te extravagant is om je te
kunnen voorstellen dat die iets te maken zou kunnen hebben met je
eigen belevingswereld. Het enige wat je er tegenover kunt stellen
is kijken. En zie: een schokkende struik, een verbijsterende tak,
een berg takken en gras met een holmakende eenzaamheid. Het
toedichten van iets als eenzaamheid aan de natuur is niet wat De
Ridder doet. Dat laat hij aan de kijker over. De beelden zelf
kiezen niet of ze een binnen- of een buitenwereld portretteren.
Deze meerledigheid bestaat ook in de manier waarop De Ridder de
natuur in beeld brengt. Enerzijds laat hij de natuur zien zoals
deze is, zonder zelf in in te grijpen of na afloop te monteren of
te manipuleren; anderzijds is de schoonheid in dit werk – op het
overdadige af – allesbehalve willekeurig gekozen, waardoor je
geconfonteerd wordt met een extravagantie die niet alledaags is.
De Ridder toont misschien wel de natuur zoals zij is, maar in
uitzonderlijke kaders. Zoals de natuur zich manifesteert in de
foto’s van de Ridder, zo toont de natuur zich zelden. De
foto Lost Cabin toont een woud van bleke, schriele bomen die in
hun eigen welving verzonken lijken te staan. Het is alsof een
dwaling van een krachtige aanwezigheid hun groeirichting heeft
bepaald – zacht mos aan de wortels en een verte die zich achter
in het bos alleen laat vermoeden. In dit beeld kun je verdwalen,
zoals je in het woud waar de fotograaf heeft gestaan zou kunnen
verdwalen. Het is geen sprookjesbos van Grimm, de bomen zijn er te
dun voor. Het maakt de leegte en de mogelijkheid erin te
verdwijnen schrijnender, enger, want dichterbij en
voorstelbaarder, dan wanneer het een bos met donkere takken was
geweest. Een
weerwolf zou zich moeilijk kunnen schuilhouden in dit bos. Maar
als dat wezen de belichaming is van de dubbele houding van de mens
ten opzichte van de natuur - de angst voor de leegte en het gevaar
ervan, en tegelijkertijd het verlangen toch deel uit te maken van
de weelderige realiteit, dan is hij in al het werk van De Ridder
aanwezig.
Amsterdam,
Galerie Juliètte Jongma (Gerard Douplein 23):Elysian
Fields, natuurfoto's van Misha de Ridder, t/m 19 november; wo t/m
za 13-18u eerste zo v/d maand Tel. 020-4636904
(www.juliettejongma.com).
|
|